"De zon was mij niet opgevallen als hij niet steeds onderging"

— Menno Wigman
gedichten
onweer

Onweersinterlude

[        ]
tussen twee donderslagen
klinkt de stilte
als het negatief van een foto

overbelicht herhaalt het –
zicht dat rolt en rommelt
tot het in de verte
in andere oorden verkleint

en al schrijdt de stilte ongemerkt
tussen twee donderslagen  
blaffen honden naar de maan
[        ]

23.07.2022
poetins donkere hart

Irpin, Ukraine March 6 – 2022
originele foto Lynsey Addario

blue

Poetins donkere hart

Hoelang sta je daar al?

Je hand aan de vlag van een verdwenen rijk. Knielend.
Zichtbaar bezwaard. Onder het gewicht van zoveel namen.
Jij Atlas zonder gewelf, drager van zoveel geweld.  

Herinner jij je nog waarom je naamloos bleef 
ondanks de euforie die rond je geboorte hing
nu regen niet langer mals rond je sokkel valt?

Had jij niet als taak de laatste te zijn? De ultieme bloedgetuige.
De eenzame bewaker van een collectieve zinsverbijstering.
Al dat ontroostbaar verdriet. Gegoten brons voor vergoten bloed.

Was jij niet het geheugen voor alle zonen en dochters?
Waar is jouw stem nu? Niemand wint wanneer jij zwijgt en stil
de rug keert naar het geslagen volk dat slechts vrede vraagt
in ruil voor de herdenking van jouw heldenmoed.

Aan jouw voeten ligt zij hier  –  met gebroken ogen, onder broederlijk vuur.
Als een aangereden hond in de goot van jouw straat, jouw stad, jouw land — 
jouw nagedachtenis. Ze laat haar kinderen zelf geen rouwende moeder na. 
Enkel angst, en een land dat zich niet laat knechten door de Tsaar   

met het donkere hart. De Gruwel! De Gruwel!

 

voor Tetiana, Alisa, Mykita en Anatoly … en de anderen

Winterslaap

Ontwaken. Nog winterslaperig.
Ik zou dat wel willen.

Langzaam uit het ei breken.
Ergens zitten suffen
als een oud gerucht.

Gans de dag staren
naar wat er buiten
mijn hoofd bestaat.

Alleen, die koude wind.
Waar geen jas op voorzien is.
Wat houdt me warm?

Wanneer ik naakt, alleen
gekleed in gedachten
tot aan de lente dool.

23.03.2022
25.01.2022
klok
den

Oud naar Nieuw

Wat oud is, plooit niet deemoedig
wanneer gezwind de einder daagt 
en de kroonprins vol verwachting 
– de Koning op de troon belaagt.

Nee, niet zomaar zoet de nacht in 
want wie twaalf manen draagt 
kan het volle hoofd hoog houden 
wanneer hij moe, ‘t toneel verlaat.

Troost vindt elke oude heerser 
in de eeuwige wetmaat: dat ook 
wie pronkt met nieuwe pluimen 
na een jaar ten onder gaat.   



Oude sneeuw

Rond deze dagen valt de eerste sneeuw
                                        altijd wel ergens
zacht, bijna schuchter – 
op een helling 
op een kerstkaart
in een oude speelfilm 
en steeds vaker, in herinnering.

Toen de geuren die we nu als geluk herkennen, 
nog nieuw waren –
en de sparren 
hoog als piramides, 
slingerend vol kleur
ingepakt werden door zachte mensen
– die reeds lang vertrokken zijn 
naar onze gedachten 
en verhalen 
die op stille dagen 
altijd net iets luider klinken.

Sneeuwpret

Het landschap is verdwenen 
nu de hond is ondergesneeuwd. 

Ieder van ons is zoekende. 

Met stokken prikken we Moeder Aarde  
om te vinden wat we zoeken

of is het om haar aan te sporen 
tot lente en tot dooi.  





19.01.2021
03.01.2021
07.02.2021
soiree
lantaarn
roq

Soiree

Ik trek de avond achter me dicht – 
start de motor en voeg langzaam in, 

in de aanhoudende stroom van 
wagens die zonder oorsprong zijn, 

naar nergens gaan, en schuiven 
tussen accolades van stoplichten. 

In de spiegel wordt wat weegt 
kleiner maar niet lichter 

dat beeld bijt zich vast
in het zachtste hersendeel 

het deel dat ongeneeslijk is 
dat als laatste uitdooft 

dat herinnerd wordt, lang 
nadat het heeft vergeten 

niet haar stem, noch haar woorden
slechts de blik die ze me gaf

ogen die je niet langer toe-
lachen vanop reclameborden

worden waterig achter het 
waaieren van de wissers 

op de radio wordt het kantelen
van de dag met een jingle ingezet 

pillen tegen donkere gedachten;
lees aandachtig de bijsluiter

in de verte wacht spijt even 
onvermijdelijk als de aftiteling

van de film die we samen 
kozen, maar anders begrepen

in deze nacht verdwijnt de zorgeloze 
voorstelling van fluweel en popcorn 

om straks met een kater te ontwaken
starend vanop een koude vensterbank

misschien hoort het erbij 
zoals kiezels in een schoen – 

de stroom gromt en toetert
ik schrik – en rij langzaam 

tot aan het volgende stoplicht.

Dubbele helix

als ik je nodig heb 
lijn ik de hond aan 

trek na valavond de schaars verlichte straat op 
wandel van lantaarn tot lantaarn 

de ogen neergeslagen 
gevuld met ongeduld 

langzaam neemt jouw silhouet het over 
groeit en krimpt jouw schaduw 

hoor ik jouw tred 
een kilometer lang 

heen en terug 
wandel je 

voor me, naast me 
achter me, bij me 

en praten we zonder woorden – 
wat jouw voorkeur genoot 

A-Z

zacht, zegt ze
zacht verdriet
zegt ze zacht
gezeefd verdriet
is zacht verdriet
verdriet gezeefd
tot poeder
ontdaan van grof
gepolijst en rond
pijn die zich
laat koesteren
in stille kamers
waar het licht
door kieren valt
altijd in dienst
van schaduw en
vermoeide ogen
staren naar
een landkaart
uitgevouwen
in wild vlees
onderhuids
ontzoute wonden
worden tastbaar
voor vingertoppen
is zacht verdriet
huid op huid
waartussen
troost kruipt
als slaapzweet,
de laatste restant
van een droom
die niet los laat
bij het ontwaken
het besef
dat herinneringen
nooit nieuw zijn
en verlangen
naar wat was
bijziend is
zoet zegt ze
zoet verdriet
zegt ze zacht





15.12.2020
11.12.2020
31.05.2020

Léon Spilliaert / De Nacht (1908)

Drijfhout was een project van de Cultuurdienst van Oostende en de Bibliotheek Kris Lambert. Auteurs konden zich laten inspireren door het werk van Léon Spilliaert en verhalen insturen die zich afspelen in oostende.

De Nacht

Ik zoek de nacht op. 
Niet om de duisternis te omarmen, noch om te verbergen wat daglicht schuwt. 
Ik zoek de nacht op. 
Niet om te sluipen naar vertier dat voor de deugdzame niet hoort, noch om mezelf te verliezen in een roes van verboden spul. 
Ik zoek de nacht op. 
Niet om onrust te verjagen, noch om verdriet te koesteren. 
Ik zoek de nacht op.
Niet om de dag te vergeten of de ochtend te vrezen, daarvoor ben ik te veel aan het leven gehecht. 

Non, mon cher Maurice,
ik zoek de nacht op.
Vaak gekweld door slapeloosheid, 
er wordt aan mij getrokken door wisselend gemoed, 
maar altijd ben ik dankbaar voor die uren langs de kade, op de zeedijk en ’t verlaten strand. 

Ik zoek de nacht op. 
Die zoete, vertrouwde, uitnodigende nacht. 
Omdat het schaarse licht dan kwetsbaar wordt, 
omdat het uitvergroot wat nog net gezien kan worden, 
omdat vermoeide ogen anders kijken naar de contouren van ingedommelde straten en gebouwen dan de montere oogopslag van het dagvolk, 
omdat het strand dan fluistert op het ritme van de zee en toegedekt door de duisternis krimpt noch lengt, 
omdat de welvingen van duinen dan opduiken als wezens uit dreigende dromen en schaduwen samenvallen met zichzelf. 

Ik zoek de nacht op. 
Die ongelijkheid uitvlakt en gebreken toedekt met een penseel van ton sur ton,  
die aan wat lelijk is schoonheid toevoegt en die het banale doet koesteren, 
die het verhaal achter het verval toont, want ontdaan van gejaagdheid brengt de nacht tijd,
die kort teruggeeft aan de mistroostige wat voor altijd ontnomen werd,
die een danser maakt van de dronkaard en een zanger van zijn maat. 

’s Nachts geen vissersvrouwen, baadsters of opwaaiende rokken, geen strak uitgesneden silhouetten in een stevige bries, geen opgejaagde hoeden tuimelend over de zeedijk, geen gekeuvel op terrassen of geflikflooi in het zand, geen wuivend helmgras, geen golf die kantelt in opspattend schuim, geen vallende jan-van-gent die met zijn okergele kop en blauwe bril gaten in de zee prikt, geen deinend lappendeken van blauw groen en grijs, geen schuivende witte driehoekjes, geen rookpluimen die aan laaghangende wolken likken. 
Maar bovenal, geen uitbundig licht, geen zonnebadende warmte, geen gezonde blos op een aarzelend gezicht. 

’s Nachts ruilt de kust haar horizon voor intimiteit en zoekt ze geborgenheid in een mantel van zilt zwart. Ze wordt introvert en neemt afstand van haar bewoners. Je hoort ze nog ritmisch ruisen, dreigend voor wie te dicht komt, mild zeurderig voor al de rest. Dwaallichtjes tonen de wakkere nachtraaf waar de zee morgen zal ontwaken; want ontwaken zal ze, telkens opnieuw. Met nooit aflatende ijver geeft ze present ook als deze schilder dat niet meer kan. 

En dús, zoek ik de nacht op. 

Opzoek naar een strakke lijn of een golvend silhouet, opzoek naar een kleurenpalet dat vervreemd is van het daglicht.
Opzoek naar het verhaal in het verhaal. … Zoals die man daar. 

Où? 

Ginds. 

Lá? 

Ja daar! Recht voor je. – Waar de straat op zijn breedst is en langzaam toeloopt tot ze verdwijnt in een punt dat de wandelaar nooit zal bereiken. Waar de  maan zich in de natte bestrating spiegelt. Waar de gaslantaarns pronken met hun kunstlicht en fletse strepen trekken doorheen de nacht; alsof de zuilenrij weigert te eindigen waar het gebouw ophoudt. – Daar loopt hij. Op zijn metershoge schaduwbenen, vleugellam klapwiekend als een aangeschoten meeuw, met zijn presidentiële hoed, mondain en tegelijk grotesk, vrolijk in ’t gemoed – of is dat schijn – steun zoekend omdat de wereld om hem heen wankelt. Kijk hoe hij probeert los te komen van de galerij en zie hoe hij er telkens weer naar toe wordt getrokken, als een opgeworpen kei die terugkeert naar de aarde. 

Daarom! zoek ik de nacht op.

Nooit op zoek, altijd alert. Dat ogenblik waarop je per abuis in andermans verhaal belandt. Dat moment dat vraagt om Oost-Indische inkt of gewassen krijt, waterverf of pastel of gouache, karton of papier of doek. Dan voel ik hoe dat witte vierkant samenvalt met dat ene moment en wegsnijdt wat geweest is, net als wat nog komen gaat. Want alleen dát ene moment telt. Toch! Omdat daarin de bedwelmende oneindigheid wordt gevat van zelfs de kleinste emotie. 

En al zien anderen misschien enkel de fatale wanhoop en de onuitsprekelijke angst, de drukkende eenzaamheid en de nooit aflatende onrust die ook mij kwelt, toch vind ik rust en schoonheid in dat eigenzinnig spel van licht en schaduw en contrast en vorm. Want dat is de nu eenmaal de beeldtaal die mij eigen is, en ook dat heb ik te danken aan DE NACHT.

08.10.2017