Oefeningen

in Rusteloosheid

Het ei

Je loopt een winkel binnen om een vaas te kopen en je wandelt buiten met een ei. Zulke dingen gebeuren. Het heeft vaak niets te maken met de rechtlijnigheid of met de wispelturigheid van je karakter, veeleer gaat het om het onvoorspelbare van onbeduidende gebeurtenissen. Je kan daar vragen bij stellen, maar heeft dat zin? Door toeval toe te laten, wordt het leven net dat tikkeltje interessanter.

Dát ondervindt ook Dario Woland op een donderdag in december.

Een rommelige etalage trekt met vertraging zijn aandacht. Met zijn kraag hoog opgezet en de handen diep in de zakken, keert hij terug op zijn stappen. Op het bord boven de ingang staat in sierlijke letters: D.Bulgakov ~ Curiositeitenkabinet & Antiek.
Zijn blik valt op een rood vaasje. Een geglazuurde traan, een vuist hoog – onopvallend voor het ongeoefende oog – een pareltje van Deense keramiekkunst. Tegen een achtergrond van gedrapeerd fluweel staat het miniatuur half verdoken tussen een industriële lamp en een bronzen neushoorn, alsof het zich schaamt voor zijn blozende kleur.

Dario kijkt op zijn horloge. De middag is nog niet geheel vergleden. Hij twijfelt. Pas binnen een uur gaat het restaurant open. Dat geeft hem wat respijt. Niet dat hij er naar uitkijkt, zijn vrees dat Rita de verloving wil verbreken zou wel eens gegrond kunnen zijn. Het loopt al een tijdje stroef en hij wordt voortdurend verkeerd begrepen, althans zo voelt het toch.

De dikke zwarte kater in de vitrine kijkt op en rolt onverschillig op zijn zijde, de staart heen en weer wuivend als een vraagteken, alsof hij zeggen wil, zoek het zelf maar uit. Dario duwt de winkeldeur open. De bel boven zijn hoofd klingelt. Hij wacht enkele tellen in het deurgat om zijn ogen te laten wennen aan het zachte licht en stapt naar binnen. Er zijn geen andere bezoekers in de shop. Hij sluit de deur en de bel klingelt opnieuw.

Een heer in een onberispelijk pak komt uit de achterkamer. Hij eet snel zijn mond leeg, dept zijn mondhoeken met een linnen servet en stapt op Dario af.

‘Mijn welgemeende excuses voor het wachten. Op dit uur zie ik zelden klanten. Een ogenblikje alstublieft.’ Hij loopt naar de deur en draait het open/gesloten bordje om. ‘Zo, dan worden we niet gestoord. Zegt u het maar, wat kan Daniil Bulgakov voor u betekenen?’ 

ei

‘Dat rode vaasje.’ Dario wijst naar de etalage. ‘Als het is wat ik denk dat het is.’

‘Dat vaasje. Ja. Een bijzonder stuk. Meneer is een kenner.’

‘Een liefhebber. Hoeveel vraagt u ervoor?’ 

‘Het spijt me. Dat is niet te koop.’ 

Dario kijkt verrast. ‘Ach zo. Ik ben nochtans bereid een correcte prijs te betalen.’ 

‘Ik twijfel niet aan de intenties van mijnheer, maar ziet u, prijs is niet de reden waarom ik geen afstand kan doen van dit kleinood. Het heeft te maken met atmosferisch perspectief.’

Dario fronst de wenkbrauwen. ‘Ik vrees dat ik u niet kan volgen.’ 

‘Dat begrijp ik. Staat u mij toe. Atmosferisch perspectief is een techniek waarmee schilders en fotografen door het gebruik van kleur en vervaging diepte brengen in hun werk. Ik pas dit principe toe op mijn etalage.’ 

Dario schudt onbewust het hoofd.  

‘Ik verklaar mij nader.’ De man in het onberispelijke pak wijst naar een schilderij boven een verzameling Javaanse schaduwpoppen. ‘Kijk, een typisch laat zeventiende-eeuwse marine van een onbekende Vlaamse meester. Wat valt u op?’ 

Dario stapt tot bij het schilderij, haalt een leesbril uit zijn binnenzak en kijkt aandachtig naar het kunstwerkje. ‘Wat zie ik? Ik zie een zeezicht. Ik zie vanuit de verte loodgrijze, zware wolken aanrollen, een gedempt zonlicht dat zich doorheen de laatste kieren probeert te wrikken, vooraan zet een vissersboot alle zeilen bij om het onweer voor te blijven.’ Dario kijkt naar de man in het onberispelijke pak. ‘Mis ik nog iets?’ 

‘Kan u mij iets meer vertellen over de boot.’ 

Dario drukt zijn neus tot bijna tegen het doek. ‘Mijn kennis over boten is eerder beperkt. Deze is rood, en heeft een zeil. Daar zal u het mee moeten doen, vrees ik.’

Bulgakov knikt. ‘Zo rood als het vaasje in de etalage.’ Zegt hij met een besmuikte glimlach en een opgestoken wijsvinger. ‘U bent nog niet overtuigd. Een ogenblik.’ Bulgakov loop naar een uitpuilende vitrinekast en haalt een schoendoos tevoorschijn. ‘Bekijkt u deze eens.’

Dario neemt een stapeltje ansichtkaarten uit de doos. Vakantiekaarten. Landschappen. Stadsgezichten. Monumenten. … En op elke ansichtkaart, ergens op de weg, op een parking, op een brug, voor een huis, … een rood autootje. 

‘Begrijpt u het nu? Ander beeld, zelfde techniek.’ 

‘Rode vissersboot, rood autootje, … rode vaas,’ zegt Dario.  

‘Zo is het. Het brengt diepte en structuur.’ 

‘En dat is belangrijk?’ 

‘Een etalage is voor een winkel wat een neus is voor een aangezicht. Dat u mijn winkel bezoekt, geeft aan dat het werkt.’ 

Dario neemt zijn hoed af en krabt zich achter het oor. ‘Ik weet niet of ik het eens kan zijn met uw conclusie. Het was mij wel degelijk om het rode vaasje te doen en niet zozeer om de bekoring van uw etalage.’ 

‘Het rode vaasje ís mijn etalage.’

‘En een ander rood voorwerp heeft niet hetzelfde effect?’

‘Zo is het,’ antwoordt Bulgakov, zonder een zweem van ironie in zijn stem. 

De dikke zwarte kater krult zich een weg tussen de enkels van Dario en loopt parmantig tegen een boekenkast omhoog om zich op het bovenste schap neer te vlijen. Met de pretoogjes van een vadsige kat kijkt hij Dario aan. 

‘Behemoth voelt feilloos aan wie hij kan vertrouwen,’ zegt Bulgakov. ‘Vroeger hadden ook wij mensen dat instinct, maar dat zijn we doorheen de jaren kwijt gespeeld.’

‘Ik begrijp het,’ zegt Dario niet begrijpend. ‘Maar wat het vaasje betreft, ik verzeker u dat uw prijs de mijne is.’ 

‘Miauw.’ Klinkt het vanop de boekenkast. ‘Aandringen heeft geen zin. Als vadertje iets niet wenst te verkopen, wordt het ook niet verkocht?’ 

Dario keert zich naar de boekenkast. Hij kijkt verbijsterd naar de dikke zwarte kater die zelfverzekerd terugstaart. De bek gaat open en een frisroze tong komt tevoorschijn. Met enkele stevige kopjes wast Behemoth zijn donzige voorpoten. In het deurgat naast de boekenkast verschijnt een tengere jongen van een jaar of veertien. 

‘En het maakt niet uit hoeveel u biedt, vadertje verkoopt alleen als hij dat zelf wil. En dat vaasje staat hier al zolang ik het mij kan herinneren,’ zegt de jongen.

‘Ach zo,’ zegt Dario, eerder opgelucht door de boodschapper dan door de boodschap.

Bulgakov komt tussen Dario en de jongen staan en maakt een veegbeweging met de hand. ‘Mijn kleinzoon weet wel beter dan klanten lastig te vallen met nonsens. Kijkt u rustig rond. Er zal ongetwijfeld wel iets tussen zitten waarmee u als een tevreden klant mijn winkel kan verlaten.’

Dario knikt en begint ongemakkelijk aan een wandeling tussen de uitpuilende rekken, meubelen en curiosa. Hij wijst naar een elegant mahoniehouten kastje.

Bulgakov maakt een grimas en schudt het hoofd.

‘Aan het kastje zelf twijfel ik niet, maar de pootjes zijn waarschijnlijk van een latere datum. Zolang ik dat niet heb uitgeklaard, kan ik het met de beste wil niet verkopen. Mijn integriteit als antiquair staat op het spel.’ Hij richt zich tot de tengere jongen. ‘Doe me er aan denken dit straks naar de werkplaats te brengen.’

Ook andere pogingen een voorwerp van eigenaar te doen wisselen, stranden op bezwaren en excuses. Elk voorwerp in de winkel lijkt wel besmet door een toevallige samenloop waardoor het – al dan niet tijdelijk – onverkoopbaar is.

Dario kijkt naar de stationsklok boven de dubbele deur. Misschien moet hij maar naar het restaurant vertrekken. Beter met lege handen maar op tijd. Een merkwaardig verhaal heeft hij al op zak.

‘Ik lees teleurstelling en ongeduld in uw ogen en dat grieft mij oprecht,’ zegt Bulgakov. Hij komt naast Dario staan, en alsof hij iets illegaal en geestverruimend in de aanbieding heeft, zegt hij met zachte stem: ‘U bent opzoek naar iets om te koesteren, en misschien ligt dat voor u in het immateriële. Kan ik u wat poëzie verkopen?’

‘Poëzie,’ herhaalt Dario, niet goed wetend of Bulgakov een grapje maakt.

‘Een paar verzen, of een kort gedicht, kan al voldoende zijn. Een ogenblikje, ik ben zo terug.’

Bulgakov loopt naar de achterkamer en aait en passant liefhebbend de bol van zijn kleinzoon. Ze verdwijnen samen in de achterkamer. Dario hoort het geritsel van papieren en het open en dicht schuiven van lades.

‘Is het dit?’ Hoort hij een kinderstem vragen.

‘Dat zijn ze! Prima gedaan jongen.’

Bulgakov komt opnieuw de winkelruimte binnen. Hij draagt een dikke gemarmerde map in zijn armen als was het een overreden hond. Hij neemt plaats aan een tafeltje met gekrulde poten, knoopt de lange bindlinten los en opent voorzichtig de map.

‘Moet u luisteren, hier zit zeker iets bij dat u zal bevallen.’ Bulgakov laat enkele losse bladzijden door zijn handen schuiven. ‘Deze bijvoorbeeld:

“Waarom zou ik de leegte verkiezen nu het leven door mij stroomt.
Na mijn dood rest mij nog een eeuwigheid om ze te omarmen.”

Wat denkt u? … Geen liefhebber van het Gilgamesh-epos. Mmh, misschien ook wel wat neerslachtig. U heeft gelijk. We zoeken verder.’

Minutieus doorbladert hij de map.

‘Deze dan, iets dichter bij huis, een tijdgenoot van Dante:

“Devoot gevouwen in verstilde rust,
brul je als een leeuw met de kracht van een zucht.”

‘Heel mooi, toch?’ Bulgakov kijkt verwachtingsvol naar Dario. … ‘Of misschien bent u wel een liefhebber van haiku. Wat vindt u hier van:

“Schenk mij je lach, die
geeft zonder iets te vragen. –
Ik geef je alles.”

Van een leerling van de grote Bashō. … Neen? Geen nood we zoeken verder.

Hij kijk Dario aan, legt vervolgens een hand op de rug van Behemoth die snorrend op de tafel is komen liggen en knikt. ‘Ik denk dat ik het weet. U zoekt iets dat uitdrukt hoe u zich voelt wanneer de liefde uit uw lichaam wordt gesneden als een stuk filet pur uit een karkas.’

Dario, kijkt verrast op. ‘Ja,’ zegt hij, zelf verwonderd over zijn vastberaden toon.

‘Dan weet ik precies wat u nodig heeft.’ Hij sluit de map en diept een beduimeld schriftje op uit zijn binnenzak. Na wat zoeken schraapt hij zijn stem:

“Sinds jij weg bent,
heeft de dag geen begin.
Sinds jij weg bent,
pas ik niet meer in mezelf.”

Wat denkt u? Is dat wat u zoekt?’

‘Vreemd genoeg wel,’ lacht Dario. ‘Hoeveel vraagt u ervoor?’

‘Normaal 26,50 maar omwille van het gedoe met het vaasje laat ik het u voor 15. Is dat aanvaardbaar voor u?’

‘Verkocht.’

‘Fantastisch. Een verstandige keuze.’ Bulgakov scheurt het gedicht voorzichtig uit het schriftje. Hij staat op en wandelt tevreden naar de toonbank. Naast de kassa hangen rolletjes met kleurrijke linten. Van het blauwe lint knipt hij een eindje af en wikkelt het om het opgerolde papiertje. Hij trekt een lade open en haalt er een gouden ei met azuurblauwe meridianen uit, dat op zijn evenaar openklapt. Hij plaats het rolletje in het ei en overhandigd het aan Dario. ‘Een echte Fabergé kan ik u jammer genoeg niet verkopen, maar ik schenk u deze reproductie graag als attentie. Ik wens u het allerbeste toe met uw toekomstige dichtpartner.’

Dario groet Daniil Bulgakov en wandelt onder schel geklingel de winkel uit met een ei in zijn broekzak, naar de jongedame die hopelijk op hem wacht. Als hij zich haast, zal hij op tijd zijn, en niet met lege handen.

21.12.2020

Kortverhaal 'Het ei' won in 2020 de Literaire prijs van de stad Sint-Truiden.

Uit het juryverslag:

“Dit jaar mochten we een rijke oogst van maar liefst 118 inzendingen uit het Nederlandse taalgebied ontvangen. (…) Bij een eerste preselectie bleven er 21 kortverhalen over. Uit deze selectie bleek al snel dat 1 verhaal duidelijk boven de andere uitstak. De jury kon dan ook vrij vlug en unaniem de winnaar van de 39e Hendrik Prijs-prijs voor kortverhaal aanduiden: Het ei van de hand van Koen Vandenborre uit Leuven. De jury was gecharmeerd door het originele verhaal, dat op het eerste gezicht beschrijft hoe mensen een cadeau zoeken, maar eigenlijk handelt over de universele levensvragen. De manier waarop enerzijds de spanning wordt opgebouwd met de gehaaste klant en anderzijds op de juiste momenten stiltes gecreëerd worden door de rustige verkoper, en dit alles binnen het tijdsbestek van een kortverhaal, sprak erg aan.

‘Een merkwaardig verhaal heeft hij al op zak’ en ‘Ik wens u het allerbeste toe met uw toekomstige dichtpartner’ zijn zinnen die de lezer verder doen nadenken. Het ‘rode’ element sprong in het oog. De volgehouden multiculturele toets is een plus, alsook de verschillende ‘ramen’ die de auteur opent uit de wereldliteratuur.

De personages worden met enkele rake kenmerken meteen getypeerd. De schrijver zuigt je onmiddellijk in het verhaal. De rijke en beeldrijke taal, en de fotografische, haast filmische schrijfwijze maken dat je na het lezen van Het ei nog meer van Koen Vandenborre wilt ontdekken!”

Een kerstverhaal over de Tweede Hoofdwet, bananenplanten en een oranje gloed.

Nutswerken stond er op het sandwichbord van de gemeente. Het had veel weg van verkiezingspropaganda. De jonge projectverantwoordelijke op de affiche liet ons weten dat het allemaal top was. Haar opgewekte boodschap was helder. De opgestoken duim liet er geen twijfel over bestaan. Het toekomstig comfort van de burger was wel wat hinder waard. De stijlvolle pumps die ze droeg moesten vermoedelijk duidelijk maken dat het aan te leggen fluisterasfalt vlak als een biljard zou worden. De gele helm en het bijpassende hesje vertelde ons dan weer dat het bovendien veilig was. Over deze communicatie was nagedacht, belastinggeld goed besteed. Meer tijd om deze boodschap van algemeen nut tot mij te laten doordringen, werd me niet gegund. Achter mij uitte enkele autobestuurders hun ongenoegen door luid en ongearticuleerd te claxonneren. Ik stak mijn hand op en reed stapvoets verder tot aan het omleidingsbord. 15 minuten omrijden of terugdraaien, een parkeerplaats zoeken en het laatste stukje naar kantoor al wandelend afleggen. De keuze was snel gemaakt. 

Ik parkeerde de auto in de buurt van het Departement Materiaalkunde naast de aula van de Tweede Hoofdwet, beter bekend als de aula van de Tweede Wet van de Thermodynamica oftewel de aula van het Principe dat Warmte Stroomt van Nature van Warme naar Koude Gebieden en Nooit Spontaan van Koud naar Warm, al wordt die laatste benaming nog maar zelden gebezigd door het jonge volk, ondanks het feit dat zelfs deze lange versie onder de 140 karakters blijft. 

Het was koud, nat en donker. De winter had zich vastgebeten in het laatste restje herfst. Ik deed mijn sjaal om en zette mijn muts op. Twee lege lijnbussen kruisten elkaar als open schuivende gordijnen. Het decor aan de overkant van de Celestijnenlaan lag er verlaten bij. Het oplopende pad met de appelbomen en het met rijm bedekte grasveld nodigde uit tot een wandeling. Wie het pad naar boven volgt zit aan de rechterzijde de serres van de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen liggen. Er brandt altijd licht. In de donkere dagen rond kerst is het schijnsel op zijn sterkst. Vooral dan is het genieten, wanneer de warme oranje gloed je tegemoet lijkt te komen en de kilte als een straalkacheltje van je afblaast. De grote met condens bedekte glaspartijen waarachter het oranje licht pulseert, hebben een hypnotiserende werking. Mijn nieuwsgierigheid won het van de deugd op tijd te komen. Ik verliet de verharde weg en nam het minder bewandelde grindpad dat naast de serres liep. De kiezels knerpte onder mijn zolen als verse sneeuw. Hoe dichter ik bij de serres kwam hoe sterker de gloed. Beeldde ik het me in of werd ik de aanwezigheid van iets fysiek gewaar. Een knus gevoel overviel me alsof ik verbonden was met iets dat buiten mezelf lag en alhoewel onbekend, vredig, vriendelijk en vertrouwd aanvoelde. Binnen, achter het glas stonden bananenplanten, de één al groter dan de andere. Sommige stonden op het punt het glazen dak op te tillen. 

‘Kunnen we u ergens mee helpen?’ 

Achter me stonden een jongen en een meisje van rond de twintig, beide in groene overal. Hun vingers zaten onder de potaarde, een gebreide muts met het universiteitslogo diep over hun oren getrokken. 

‘Het is niet de bedoeling dat u langs hier komt,’ sprak het meisje, eerder bezorgd dan boos. 

‘Ik heb geen kwaad in zin,’ probeerde ik me nogal knullig te verantwoorden. ‘Het is gewoon …’ Ik wees naar de enorme bananenplanten. ‘Ik begrijp niet hoe jullie dat klaarspelen. Bij mij gaan ze steevast kapot. Hebben jullie speciale grond, ofzo? Of komt het misschien door dat felle oranje licht?’ 


De jongen keek het meisje geamuseerd aan. Ze haalde haar schouders op. 

‘De bananenplanten zijn niet het eindproduct,’ zei de jongen. 

‘Niet?’

Hij schudde het hoofd. Ik keek naar het meisje. Ook zij schudde het hoofd.

‘Iedereen gaat er zomaar vanuit dat we hier planten kweken. Maar eigenlijk is het oranje licht het eindproduct,’ fluisterde het meisje.  

‘Het oranje licht?’ Nu was het mijn beurt om het hoofd te schudden.

‘De bananenplanten zijn … hoe zal ik het zeggen … genetisch verbeterd, zodat ze koude van buiten aantrekken en omzetten in een warme oranjerode gloed.’ 

‘Die oranjerode gloed wordt het hele jaar door geoogst en opgeslagen. Tegen kerst hebben we voldoende,’ vulde de jongen aan.  

‘Voldoende voor wat?’ 

‘Voor de warme kerstsfeer natuurlijk. Of dacht je dat die er elk jaar zomaar kwam?’ 

Nog voor ik mijn verbazing onder woorden kon brengen, verscheen een oudere gezette man in de deuropening van de serre. Hij droeg een rode overal en bijpassende muts. ‘Zo kan het wel weer, er rest ons nog een hoop werk.’ 

De jongen en het meisje kregen een kleur. ‘We komen eraan professor Claessens.’ 

‘U kan maar beter terug langs het hoofdpad gaan,’ zei het meisje. En even onverwacht als ze gekomen waren, verdwenen ze in de serre. 

Ik zette mijn wandeling naar kantoor verder. Net voor de bocht draaide ik me om, zag de oranje gloed in de serre fel afsteken tegen het winterlicht. Er leek dit jaar een uitzonderlijk warme kerst in de maak. 

24.12.2021

Breakfast blues

Frank Vos stapt het eethuis binnen. De kokosmat remt zijn pas. Hij sluit de deur en rilt de kilte van zich af. Doorheen de uitsparingen van de belettering staart hij naar de beregende straat – beeld zonder klank – dan keert hij zijn rug naar de buitenwereld. De tafels aan het raam wachten op hun eerste gasten. Aan de toog zijn op één na alle barkrukken vrij. Het is nog vroeg.

De geur van koffie en knisperend spek; voor eenzame zielen is het altijd een beetje thuiskomen. Behoedzaam stapt hij via de witte tegels van de dambordvloer naar een bak Sanseveria in de verste hoek. Zeemzoet begeleiden Gladys Knight & the Pips zijn aarzelende tred en wankel gemoed. Hij neemt plaats op een lederen bank, schuift door tot aan het raam en nestelt zich tegen de hoge rug.

Het park aan de overkant ligt er verlaten bij. De duiven wachten geduldig op kruimels van bejaarde burgers, en bejaarde burgers wachten op hun beurt op een straaltje zon. Hij knoopt zijn klamme wollen sjaal los en legt die naast zich op de bank, zijn vilten hoedje erbovenop. Met zijn vingers harkt hij door zijn plat gedrukte haren en met zijn vingertoppen masseert hij het stukje huid tussen zijn wenkbrauwen; spanning ontsnapt met een zucht.

‘Koffie?’ vraagt Rita van wie de gestreepte jurk het gevecht met de kilo’s elke dag opnieuw lijkt te verliezen. Ze schuift een gelamineerde menukaart onder zijn neus. ‘Als special vandaag: pannenkoeken met siroop en blauwe bessen.’ Frank weet dat ze dat moet zeggen van haar baas al begrijpt hij net zoals Rita niet waarom; pannenkoeken met siroop zijn er elke dag, net zoals koffie, wafels, hamburgers en bananenmilkshake.

Frank knikt, waarop Rita de asbak en het duo ketchup/mosterd opzij schuift en een kop vult met dampend zwart.

‘Dank-u,’ mompelt Frank.

‘Als je gekozen hebt geef je maar een teken.’

Frank knikt opnieuw zonder op te kijken.

Rita maakt aanstalten zich om te draaien maar bedenkt zich. ‘Frank, alles OK vandaag?’

‘Sommige dagen zijn moeilijker dan andere,’ zegt hij.

Rita knikt. ‘Daar zeg je zowat.’ Ze kijkt hem meewarig aan en onderdrukt de aandrang een hand op zijn schouder te leggen. ‘Geef maar een teken,’ zegt ze opnieuw en ze verdwijnt achter de Sanseveria. ‘Miles, nog wat koffie?’ hoort hij haar nog zeggen tegen de veel te dikke man op de barkruk.

‘I’m all shook up,’ zingt Elvis niet voor het laatst die dag.

fanelli

Had hij het kunnen zien aankomen? Waarschijnlijk wel. Maar zoals gewoonlijk was hij kansloos geweest. De Frank in zijn gedachten bleek onzichtbaar voor de buitenwereld en bij elke afwijzing leek de idee van wat hij verlangde te zijn weer wat doorschijnender geworden. 

Uit de binnenzak van zijn jas haalt hij een in vier geplooid beduimeld papiertje. Een brief kan hij het bezwaarlijk noemen maar voor iemand die het meestal met een dichtslaande deur of een leeg gemaakte lade moest stellen was dit vooruitgang. – Een tastbaar bewijs van zijn vermogen tot gezelschap, hoe vluchtig ook, als tonic voor de eenzaamheid die er zat aan te komen. – Omzichtig vouwt hij het open, alsof het eeuwenoud perkament betreft dat elk ogenblik kan uiteenvallen, en prevelt: Beste Frank … je bent geen klootzak zoals al die anderen maar wat je dan wel bent weet ik na al die maanden nog steeds niet. We hebben geprobeerd, het is niet gelukt. … Het spijt me. … Izzy. 

Zij had geprobeerd, hij was er vol voor gegaan, ten minste zo had hij het ervaren, verkeerdelijk bleek nu, want nog maar eens was gebleken dat zijn vermogen een vrouw en haar gevoelens juist in te schatten niet zijn meest betrouwbare kwaliteit was. Die ‘Beste Frank’ waarmee ze haar boodschap naar binnen schoof raakte hem misschien nog het meest. Acht maanden samenzijn en hij moet het stellen met een platitude. 

Hij tikt het koffielepeltje enkele keren tegen de rand en kijkt naar de draaikolk in zijn kop die zich als één gedachte eindeloos lijkt te vernauwen. Sommige dagen zijn moeilijker dan andere.

11.12.2016