Oefeningen

in Rusteloosheid

Laat bezoek

Vlammen likken aan het houtblok dat Constantin Habermas in de haard heeft gelegd. Met zijn goede hand veegt hij het stof van zijn colbertjasje en wandelt steunend op zijn stok naar het barmeubel in het midden van de kamer. Uit het assortiment aan geestrijke dranken hoeft hij niet te kiezen, op deze dag en dit uur weet Constantin dat er maar één in aanmerking komt: de 25 jaar oude whisky gerijpt op Oloroso-vaten, met zijn gelaagde afdronk en zweem van rook. Hij breekt het zegel van de fles, gaat met zijn duim over het gegraveerde gewei op de flessenhals en schenkt zich twee vingers in. Met een wals brengt hij het sherrykleurige vocht tot net onder zijn opvallende neusorgaan. Het aroma bespeelt de neuronen in zijn hoofd, alsof Rachmaninov zelf achter het klavier zit. Constantin ademt langzaam uit, opent zijn oog en laat zich tevreden zakken in een fauteuil van Joe Colombo. Hij tikt met zijn zegelring tegen het glas. Op de volgende 25!—Met pretoogje kijkt hij naar het schilderij boven de haard. Een Duitse jager plant zijn gelaarsde voet op de romp van een edelhert en houdt nonchalant een tweeloop onder de arm. De jager heeft intens groene ogen en een monkellach op de lippen waarvan enkel de schilder en de opdrachtgever het geheim kennen. Het jachttafereel, uit 1899, is de eerste herinnering die Constantin Habermas heeft van zijn leven ná de ontmoeting.—Driemaal wordt er zuinig op de deur geklopt.

‘Had meneer noch iets gewenst voor ik mij terugtrek?’

‘Dank je, Bertus. Ik wil voor de rest van de avond niet gestoord worden.’

‘Meneer.’ Bertus neemt het dienblad met het lege soepbord van de tafel en sluit de deur achter zich.

Constantin kijkt naar de klok. Nog even. Hij veert recht uit de lounge zetel en gaat voor zijn platencollectie staan. Met zijn vingers streelt hij de ruggen van de platenhoezen tot hij bij de H komt. Na enkele pogingen heeft hij de LP te pakken waar hij naar op zoek is. Hij haalt een doekje over het zwarte oppervlak en legt het vinyl op de platenspeler. De naald zakt langzaam in de groef. Een zacht gekraak vult de ruimte als voorbode voor het gehuil van de wolf—de eerste gitaarriff—de klaagzang van een mondharmonica, en dan—een stem die botten kan vermalen met een aangehouden noot—”Well, somebody knocking on my door”—”Well, somebody knocking on my door”—

In de haard slaan de vlammen plots hoog in de schouw, het vuur huilt luider dan de wolf, het knettert en vonkt en zuigt alle licht uit de kamer, na wat een eeuwigheid lijkt maar in werkelijkheid slechts enkele tellen duurt, valt de vuurzuil terug in het witgloeiende houtskoolbed, wat rest is een waaier kil dansend licht, die niet verder reikt dan de tenen van Constantin. 

 

vuur

Vanuit de duisternis staren twee gifgroene ogen hem aan als naderende koplampen in een maanloze nacht. ‘Constantin Habermas, je bent geen haar veranderd.’—En al is het exact vijfentwintig jaar geleden dat hij ze nog gehoord heeft, de diepe stem klinkt vertrouwd.—‘En je hebt er aan gedacht mijn muziek te spelen, attent.’ 

‘Serenus, welkom. Ik zou graag zeggen dat ook jij niet bent veranderd, maar aangezien ik geen enkele herinnering kan vasthouden van jouw verschijningen, behalve je stem dan, zou ik het niet weten.’ 

‘De dag dat je met me vergezelt, waarde vriend, zal de dag zijn waarop je het zal begrijpen. Maar dat weet je ondertussen wel, aangezien we deze conversatie al vier keer eerder hebben gevoerd.’

Constantin knikt. ‘Mag ik je een voortreffelijke single malt uitschenken? Toen je me vijfentwintig jaar geleden voor het laatst opzocht, stond dit nog op het veld.’

‘Is het deze keer zover Cornelius Habermas? Ben je klaar om me te vergezellen en je ziel aan mijn zorgen toe te vertrouwen? Of is er nog een honger die gestild moet worden?’ Ik kan me bijna niet voorstellen dat er nog een verlangen is dat niet is vervuld. Je was vijfentwintig jaar een gevierd schilder, je vergaarde een fortuin, de meest sensuele vrouwen lagen aan jouw voeten, je stond op de grootste podia, werd een machtig politicus en dat allemaal zonder een dag ouder te worden.’

‘En voor al die ervaringen en privileges heb je mijn eeuwigdurende dankbaarheid.’

Bij het horen van het woord “eeuwigdurend” lichten de ogen van Serenus op. Meer dan je beseft, mijn vriend. ‘Ik voel een maar komen.’

‘Ik heb nog één droom.’

‘Je maakt me nieuwsgierig.’

‘De volgende vijfentwintig jaar wil ik een oeuvre bij elkaar schrijven dat zijn gelijke niet kent. Ik wil in één adem genoemd worden met Shakespeare, Cervantes, Dante, Goethe.’

Serenus zet zich neer in de Joe Colombo en gaat met zijn hand over het soepele zwarte leder. ‘Interessant… verrassend, maar interessant. Van alle glorie die ik je kan gunnen, kies je voor een eenzaam bestaan achter een schrijftafel, dwalend door je eigen herinneringen, fantasie en mijmeringen.’ Even is  alleen nog het zachte huilen van het vuur hoorbaar en het poppen van de naald die het eind van de groef heeft bereikt. ‘Maar ik begrijp het wel, wie zoveel heeft beleefd kan vroeg of laat niet anders dan het van zich afschrijven. Goed, ik ga akkoord.’ Hij neemt een stevige slok. Hij kucht.—‘Stevig spul. Cask strength?’ zegt hij met een iele stem.

’66%.’

Hij kucht opnieuw en vindt zijn stem terug. ‘Je weet wat mijn volgende vraag zal zijn.—De eerste vijfentwintig was uit erkentelijkheid voor jouw tussenkomst tijdens onze jachtpartij. Op je ziel zit al een hypotheek, een tweede oog zou het schrijven bemoeilijken, net als een hand of een voet. Wat heb jij mij dus nog te bieden?’

‘Een meesterwerk,’ zegt Constantin Habermas zonder aarzeling. ‘Ik schenk u onsterfelijkheid in de sterfelijke wereld. Een biografie die zijn gelijke niet kent.’

‘Met andere woorden je betaalt me met het talent dat ik jou vijfentwintig jaar schenk.’

‘Dat is één manier om het te bekijken.’

‘Je bent een lepe vos, Constantin Habermas. Maar ik aanvaard je voorstel.’ Hij draaide zich om naar de platenkast en maakte een cirkelbeweging met zijn lange vingers. ‘Tot over vijfentwintig jaar dan maar.’

De late bezoeker verdwijnt als een vluchtige gedachte.
De vlam schiet in het haardvuur.
Een gezellig licht vult opnieuw de kamer.
De naald vindt een nieuwe groef.

— I set out runnin’ but I take my time
A friend of the Devil is a friend of mine
If I get home before daylight
I just might get some sleep tonight.

Zin in meer?