Vorige week kwam onze zeventien jaar oude kater met een beroerte thuis. Of om precies te zijn: we vonden hem na drie dagen spoorloos onder een struik bij de buren – verdwaasd, blind, doof en met een duidelijke neiging om naar links om te vallen.
Als kitten zat hij hoog op de wenteltrap in de woonkamer. Met angstige oogjes tuurde hij naar de bewoners en het huis waar hij de rest van zijn leven zou doorbrengen. Die onzekerheid liet hij snel varen. Toulouse groeide op tot een krijger: atletisch, onvervaard, getooid in een leeuwenvacht en met Wolverine-klauwen. Geen muis, rat, vogel of eekhoorn in het aangrenzende bos was nog veilig. De kappen in zijn oren en littekens op zijn snuit droeg hij als eretekens. – Om de paar dagen bleef hij ’s avonds binnen, kroop op een beschikbare schoot en liet al spinnend zijn aaibare kant zien.
De laatste jaren waren de prooien kleiner geworden, maar niet minder talrijk. De sprong verloor wat hoogte en Toulouse nam al eens vaker een rimpeldag, maar het avontuur bleef lonken.
Na hevige onweders sloeg de loden hitte toe. Het hoopje ellende dat we aantroffen begon, na enkele dagen een Schrödingerkat te zijn geweest, als een geprogrammeerde grasmaaier patronen in het huis te lopen. Pas na een spuit cortisone veranderde Toulouse weer langzaam in iets wat op een kat leek.
Op zaterdag reageerden de gehavende oorschelpen voorzichtig op de roep van zijn naam, op zondag begonnen de starre pupillen te ontspannen en op maandag sprong hij voor het eerst weer op een stoel. Dinsdag ontsnapte Toulouse aan onze zorgen richting zijn bos. Benieuwd of we hem nog terugzien.
Krijgers sterven in het harnas op het slagveld of gaan ten onder aan avontuur, niet op een koude tafel aan een spuitje. Go Toulouse! Go!


