In het veld krassen drie kraaien
ze ijsdansen over een gerijmd grasveld,
draaien pirouettes van steenkool,
als kwantumpartikels zijn ze overal en nergens
zielloze boodschappers in een eindeloze choreografie.
Graffitikunstenaars zonder talent voor de eeuwigheid
wervelen vluchtige patronen van wind en verbeelding
in aanwezigheid van de toevallige passant.
De passant die zichzelf onder de winterzon herhaalt
in zijn dagelijkse wandelingen en besloten gedachten,
die op het ritme van telkens weer dezelfde lichtheid
de hond uitlaat van staart tot snuit,
langs eindeloze sporen. Geurpartikels zonder massa
worden kwispelend tot leven gesnuffeld
op winterheide en straatverlichting
in aanwezigheid van de toevallige passant.
Dode dingen op de tafel, steltlopers
met hun voeten in het water
geknipt en gebonden
pronkend in hun prachtkleed,
schoonheid door verval, in verval.
Drie kraaien laten ons weten
wat ook de wandelaar beseft.


