Twee witte wijn en een Westmalle Tripel. Veel eenvoudiger kan een bestelling niet zijn. Net wanneer ongeduld het lijkt te gaan halen van verwachting voel ik een hand op mijn schouder. Een naar drank ruikende man mompelt iets onverstaanbaar. Ik knik in de hoop de conversatie daarmee te smoren voor ze begint. ‘Het leven is al moeilijk genoeg zonder tegenslagen,’ mompelt hij opnieuw, met net iets meer vochtige articulatie. Ik veeg het spuug van mijn kaak en knik, neem de bestelling van de toog en schuifel doorheen de drukte in de richting van mijn gezelschap.
De volgende ochtend blijkt het zinnetje van de dronkenman zich in mijn hoofd te hebben genesteld. Het leven is al moeilijk genoeg zonder tegenslagen. – Is dat zo? Vraag ik me af. Is het leven werkelijk nog moeilijk wanneer het van tegenslag gespaard blijft? Voor zover dat kan natuurlijk, gespaard blijven van tegenslag, het lijkt me dat elke leven van enige lengte vroeg of laat botst op tegenslagen. Maar moest het kunnen, een leven zonder tegenslag, dus zonder af en toe een kiezel in de schoen om ons eraan te herinneren dat wandelen is wat er toe doet, niet vertrekken of aankomen. Zouden we dan nog kunnen waarderen dat het leven een onverwacht cadeau is dat we maar beter langzaam uitpakken?
Misschien bedoelde de dronkenman dat wel. Zonder dalen geen pieken. En een vlakke lijn is geen leven. Vraag dat maar aan een hartpatiënt.


