De hitte, de hitte

Zo ongeveer kondigt de Apocalyps zich aan: een pulserende vuurbol hoog in het zwerk, de lucht kronkelt als een buikdanseres boven plakkerig asfalt, de straten verlaten, afgezoomd met geparkeerde auto’s, pizzaovens op wielen, in de rijhuizen doen IKEA-gordijnen een futiele poging de hitte buiten te houden, de porseleinen herderinnetjes op de vensterbanken maken een koortsige indruk en aan de droogbloemen wordt het laatste stukje kleur onttrokken. Kantklos als lijkwade.

“Toen blies de eerste engel op zijn bazuin. Er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen. Een derde deel van de aarde brandde af, evenals een derde deel van de bomen en al het groen. “ [Op. 8:7]

En dan is er de stilte die zelfs mijn tinnitus overstemt, stilte als rouwgevoel, eenzaamheid in zijn meest doorwrochte vorm, het gewicht van leegte, ondraaglijk en tegelijk onontkoombaar; geen kat op een hek, geen hond voor een raam, de lucht vogelvrij, de vissen smoren in blauwalg, alleen in de dorre weide lijkt een kwartet paarden de hitte te trotseren.

“De klank van lier en zang, bazuin en fluit zal in jou voorgoed verstommen, de bedrijvigheid van ieder ambacht zal in jou voorgoed stilvallen. Het geluid van de molen zal nooit meer in je klinken,”  [Op. 18:22]

Slechts tuimelkruid ontbreekt om de stilstand te bekrachtigen, dat, en de langzaam aangezette klaagzang van een mondharmonica, een melodie als een stem vol weemoed, gevolgd door het schel piepen van een openwaaiend luik, ook al is er geen zuchtje wind.

Het is al vaak voorspeld, het moest er ooit van komen, wie lang genoeg wacht ziet elke profetie aan het raam passeren: het Einde is nabij! Wie zich nog wil bekeren, tot welke gezindte dan ook, maak er werk van. Kies wijs, wees niet lichtzinnig, er komt geen herkansing.

”Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn tekenen had verricht, waardoor hij iedereen had misleid die het merkteken van het beest droeg en zijn beeld aanbad. Levend werden ze in de vuurpoel  met brandende zwavel gegooid.” [Op.19:20]

Puffend, druipend van het zweet laaf ik me onderaan de keldertrap aan de koelte van het arduin. In de weerspiegeling van de voorraadkast zie ik geen goddelijk merkteken op mijn voorhoofd. De genade van de dienaar is mij niet gegund. Wat rest is gelaten wachten op wat komen zal.

“Ik zag, toen het zesde zegel verbroken werd, hoe er een zware aardbeving kwam. De zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd bloedrood. De sterren vielen op aarde, zoals late vijgen die door een stormwind van de boom worden gerukt. De hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op. Geen berg of eiland bleef op zijn plaats.” [Op. 6:12-14]

De eindtijd is nog maar net begonnen en wordt alweer voor onbepaalde tijd uitgesteld nu de regen al dagen uit de hemel zeikt en de wind zijn adem vindt. Binnen blijven voor regen en wind, rein en onrein, met twee honden en een kat. Zo ongeveer kondigt de zondvloed zich aan.

“Veertig dagen en veertig nachten lang zou het op de aarde stortregenen. Diezelfde dag gingen Noach, zijn zonen Sem, Cham en Jafet, zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen de ark in, samen met alle soorten wilde dieren, vee  en kruipende dieren, en ook met alle soorten vogels en wat er verder maar vleugels heeft.” [Gen. 7:12-14]

Van het nieuwe naar het oude, van het laatste hoofdstuk naar het eerste. Wie kan nog volgen? Als er een God bestaat, heeft hij ons weeral mooi bij ons pietje. Al prijs ik me gelukkig om in deze doorweekte en onderkoelde toestand niet tot het zootje te behoren dat het zonder parasol of paraplu moet stellen. — Het kan altijd erger.

“Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan. Buiten is de plaats voor de honden die zich bezighouden met toverij en ontucht, met moord en afgodendienst, voor iedereen die de leugen koestert en ernaar handelt.” [Op. 22:14-15.]

Warme groet, natte zoen,
Koen van Patmos

zwembad

Zin in meer?